tn_Doorhaan0178.jpg (10056 bytes) tn_SIMG0047.jpg (8076 bytes)
    Kuikens 1 dag oud

kuikens 16 dagen oud

kuikens 6 weken oud 2008

kuikens 6 weken oud 2008

kuikens 6 weken oud 2008

Kuikens van 13 mei 2005

Kloek 16 mei 2005

Jonge haan van 1 februari op 30 april foto

 haantje op 23 juli

 Twee hennetjes

 

   
 

 

 

De Doornikse kriel is een rustige kriel. Dit komt vanwege hun herkomst; ze zijn vroeger ontstaan op de Schelde schepen; waarbij ze natuurlijk weinig plaats hadden en erg vertrouwelijk met hun verzorgers waren. Vroeger had men de voorkeur voor een zo bont mogelijk krieltje. Alleen erkend in driekleurig bont

 

 

Mijn ervaringen met Doornikse krielen

De Schipperskip uit Belgie

 

Een 15 jaar geleden zag ik Doornikse krielen op de tentoonstelling in Gent. Ze vielen me op omdat ze kakelbont waren en op porcelein kleurige sabelpootjes leken maar dan zonder voetbevedering die ik vroeger ook heb gefokt.

Toen een fokker me belde waarvan ik wist dat hij Doornikse had en me vroeg om een trio goud brakelkrielen wist ik wat ik als tegenprestatie zou vragen.

Sinds 1998 heb ik dus Doornikse krielen. Het is een prachtig rasje; het zit vol met verrassingen; vooral in de tekening. Ze leggen erg goed en als de eitjes blijven liggen worden ze broeds en zorgen dan goed voor hun kuikens.

De kuikens zijn geelachtig en verschillen nauwelijks van elkaar. De kammetjes is een probleem; als je er te streng op selecteert blijven er geen over. Onregelmatige kamtanding, geknikt kamfront en nogal spitse kamtanden komen voor. Omdat de haantjes vaak te zwart zijn en de hennetjes te bruin is het beter om ook dieren - met een mooiere kam - die te zwart of te bruin zijn ook aan te houden en deze dan in een soort compensatie kweek te gebruiken.

Normaal is dat als er geen bloedverversing bij komt; dat het stammetje uniformer wordt; dit is bij mijn Doornikse krielen beslist niet het geval. In 2001 had ik slechts enkele kuikens; een haan was veel te zwart getekend en het andere haantje was veel te bruin; beide geen TT dieren. Dus 2 uitersten. Volgens F. Beekmans zou dit komen doordat bij Doornikse krielen van een multiple allelie sprake is op het E locus; het patrijs gen en het tarwe gen zouden deze heterogeniteit verklaren. Indien dit is dan zou dit ook aan de kuikenkleur te zien zijn.

De meeste haantjes die geboren worden zijn te zwart getekend; dit is vooral aan de borstkleur te zien; als deze als kuiken zwart is kun je het vergeten; ook kuikens met iets bruin worden later meestal te zwart van tekening in de borst.

De hennetjes die vroeg al wat meer zwart laten zien; hebben later meestal een mooiere tekening. Ik denk dat je voor het uitzoeken voor dieren naar de tentoonstelling zoals vroeger de voorkeur moet hebben voor de meest bonte dieren.

De eerste haantjes die ik had toonde geen hals tekening en lieten dus geen witte vlekjes in de hals zien; nu de laatste jaren wel. Hier wordt nooit een opmerking over gemaakt; maar ik vindt dit wel mooier.

De tekening behoort onregelmatig te zijn; maar als je naar de tekening in de standaard kijkt is deze veel te regelmatig en de vleugels bij de haan te wit

Belangrijk is het type; normaal is dit geen probleem.

De kammetjes heb ik al besproken.

De oortjes worden als de hennetjes ouder worden wat witachtig. Hierop wordt weleens een opmerking gemaakt; maar ik weet niet wat ik ermee moet; ze worden het.

Als je na een seizoen terugkijkt naar de beoordelingen op de kaarten dan zie je vaak verrassende dingen; bij de ene keurmeester ZG onreg. bonttek.; de ander tekening iets te regelmatig; de ander ZG kleurverdeling in vleugels, mist zwart in vleugels kan wat zwarter in zadel. Terwijl volgens de standaard een hen een bruiner uiterlijk heeft.

Ook maken keurmeesters opmerkingen over de witte vleugelpennen. Dit varieert van iets minder wit wat veel wit tot veel te wit; bij hetzelfde dier. De hanen bij mij laten vaak veel wit in de vleugels zien; als kuiken gaat het vaak wel; maar na het uitruien worden ze alleen maar witter. Omdat ik vaak vroeg broedt; vallen de haantjes opnieuw in de rui en dan zijn de vleugelpennen nog witter.

Doornikse krielen zijn gemakkelijk te houden; ze vallen door hun bontkleuring nogal op; ieder dier is anders; wat ook een eigen charme aan het ras geeft. Dit moet je als fokker en keurmeester begrijpen. Als je perfectie in de tekening nastreeft is het bij dit ras onbegonnen werk. Daarom zijn er misschien zo weinig fokkers van. Dit ras verdient beter.

Jan Schaareman